Cijfermatig: zorg dat je vlot bent met optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen, breuken, percentages, verhoudingen, machten en gemiddelden. Leer schatten, zodat je antwoorden kunt uitsluiten zonder alles tot op de decimaal te berekenen. Zoek bij cijferreeksen systematisch: kijk eerst naar het verschil, dan de verhouding, afwisselende patronen, een combinatie van optellen en vermenigvuldigen, en aparte patronen voor even en oneven posities. Let ook op of een reeks toe- of afneemt of afwisselt.
Verbaal: baseer je antwoord uitsluitend op de tekst en voeg geen eigen kennis of verwachting toe. Let op absolute woorden als alle, sommige, geen, altijd, nooit, uitsluitend, mogelijk en noodzakelijk — 'alle piloten zijn werknemers' betekent niet dat alle werknemers piloot zijn. Bij syllogismen helpt het om groepen als cirkels voor te stellen; bij analogieën bepaal je eerst de relatie (deel-geheel, oorzaak-gevolg, beroep-gereedschap, tegenstelling, categorie-voorbeeld) en zoek je daarna het antwoord met dezelfde relatie.
Abstract: analyseer één kenmerk tegelijk — vorm, positie, aantal, richting, kleur, arcering, grootte of rotatie — in plaats van alles ineens. Controleer bij matrixvragen zowel rijen als kolommen, want een regel kan horizontaal, verticaal of in beide richtingen werken. Zoek naar eenvoudige transformaties en gebruik de antwoordmogelijkheden om opties uit te sluiten die duidelijk niet passen.
Logisch: zet informatie in een kort schema en markeer vaste voorwaarden (A vóór B, C niet naast D). Controleer daarna elke antwoordoptie tegen alle voorwaarden. Let goed op of gevraagd wordt wat kan, wat moet of wat niet waar kan zijn: een conclusie kan mogelijk waar zijn zonder logisch verplicht te zijn.